De vader van Bea, Harry Tünnissen, was nog maar een jonge tiener toen de oorlog uitbrak. Zijn ouders hadden in de Gasthuisstraat een bakker en een winkel. ‘s Morgens moest hij vroeg opstaan om te helpen en ‘s middags na school moest hij de boodschappen en het brood gaan rondbrengen.  

Zelfs in de oorlog moest hij de spullen rondbrengen. Eenmaal aangekomen bij zijn bezorgadres kon hij niemand vinden. Hij bleef roepen en roepen en uiteindelijk besloot hij maar terug naar huis te gaan. Later werd bekend dat alle mensen op dat moment in de schuilkelder zaten omdat er flink geschoten werd. Harry had veel geluk gehad. 

Meer info